Winkelwagen

Compacten en verrijken

Compacten en verrijken

Compacten en verrijken

In deze blog geef ik tips over een beredeneerd aanbod voor groep 1 en 2 en over compacten en verrijken vanaf groep 3 (bron: Kei in hoogbegaafdheid).

Jan Kuipers, auteur van ScanHB, Sidi PO en Levelwerk

Groep 1 en 2

Als er een vermoeden bestaat van een ontwikkelingsvoorsprong bij een kleuter, wordt dit meestal gebaseerd op cognitieve prestatie indicatoren, zoals 'hij kan al zo goed praten' of 'hij kan al rekenen'. Naast deze prestatie indicatoren zijn er andere ontwikkelingsgebieden waarnaar je kunt kijken, bijvoorbeeld de sociaal-emotionele ontwikkeling en de ontwikkeling van schoolse vaardigheden. Met betrekking tot de sociaal-emotionele ontwikkeling kan gezegd worden dat kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong op dit gebied vaak laag ingeschat worden. Hij heeft een zwakke sociaal-emotionele ontwikkeling wordt dan vaak als contra-indicatie voor versnellen gebruikt. Wetenschappelijk bewijs is hiervoor echter niet te vinden. Vaak bestaat er juist ook op dit gebied een voorsprong. Door deze voorsprong ontstaat er onbegrip bij de kleuter ten opzichte van zijn leeftijdsgenoten en dit kan leiden tot boosheid of huilbuien. Dit kan dan verkeerd geïnterpreteerd worden als ‘hij is sociaal-emotioneel gezien nog zwak’. Kleuters met een ontwikkelingsvoorsprong komen binnen met een (forse) voorsprong of ontwikkelen zich, als ze eenmaal op school zitten, sneller dan hun groepsgenoten.

Wanneer deze kinderen een aanbod krijgen dat is afgestemd op de gemiddelde leerling is dat ontoereikend. Om deze leerlingen te stimuleren een werkelijke inspanning te leveren is het wenselijk dat de aangeboden opdrachten het niveau van de leerling overstijgen. En wel zodanig dat het kind van tijd tot tijd leert om op zijn tenen te lopen. De leerling wordt uitgenodigd zijn comfortzone te verlaten en de stap te zetten naar de zone van de naaste ontwikkeling. Wanneer dit niet of onvoldoende gebeurt, lopen deze leerlingen al in de eerste jaren van het basisonderwijs vast. Het is jouw taak om ervoor te zorgen dat er voldoende uitdaging in de klas aanwezig is, maar ook dat het kind hiermee aan de slag gaat. Sommige kleuters zullen er voor weg lopen, omdat ze gewend zijn aan opdrachten die niet veel moeite kosten en waarbij ze geen fouten maken. Geen fouten maken wordt voor deze kinderen de norm. Op den duur beginnen ze niet eens meer aan moeilijker werk, uit angst om af te wijken van die norm. Het is belangrijk om dit proces vroegtijdig te onderbreken en om deze kleuters te leren leren. Naast een passende inhoud vraagt dit vooral een passende pedagogische en didactische begeleiding. Je zou kunnen zeggen dat álle kleuters, dus ook slimme kleuters, van tijd tot tijd gebaat zijn bij vitamine FF en DD: falen, frustratie, durven en doorzetten! Ik stel hiermee niet dat deze vitamines elke dag en elk uur moeten worden toegediend. Overdosis schaadt.

Veel scholen werken in groep 1-2 vanuit het principe van ontwikkelings- of ervaringsgericht onderwijs of een mengvorm. In de praktijk zie ik van deze visies steeds de accenten welbevinden, veiligheid, persoonlijke groei en de sociale ontwikkeling. De werkvormen die daarbij passen zijn in praktisch elke kleutergroep terug te vinden: de kring, werk- en ontdekhoeken, lees-, taal-, tel- en rekenhoeken, keuzetijd, afgewisseld met opdrachtkaarten en puzzels. Voor slimme kleuters is het absoluut niet nodig om deze werkvormen ‘overboord te gooien.’ Hou vast aan wat je al doet. Het enige dat gevraagd wordt is om hier en daar accenten te verleggen en de mogelijkheid te bieden voor differentiatie naar boven. Op diverse websites is heel veel te vinden over mogelijkheden voor slimme kleuters binnen je huidige werkwijze. Ga op zoek, laat je verrassen, overleg met collega’s en durf uit je eigen comfortzone te stappen. 

Aanpak in groep 3 

Zonder een leerkracht tekort te doen, als je in groep 3 werkt, heb je een reuzenklus te verrichten. Groep 3 is naar mijn idee de meest complexe groep die er is en jouw werk verdient respect van iedereen. De complexiteit wordt naar mijn idee door drie factoren bepaald:

1. De overgang van groep 2 naar groep 3 is nog altijd een hele grote. Ruim 30 jaar na de invoering van de basisschool is de grens tussen de oude ‘lagere school’ en de ‘kleuterschool’ nog steeds duidelijk zichtbaar. In groep 2 wordt veel aandacht besteed aan ontdekkend en spelend leren, in groep 3 is de methodische aanpak leidend. Veel kinderen moeten wennen aan die overgang.

2. Het grote verschil in niveau tussen kinderen. Er zijn kleuters die eind groep 2 al kunnen lezen en rekenen boven het tiental en er zijn kinderen die daar net aan voldoen. In een gemengde groep 2-3 voorkom je dit knelpunt, omdat binnen zo’n setting de ruimte om nog even te mogen ‘kleuteren’ aanwezig is. We weten dat de ontwikkeling van kleuters sprongsgewijs verloopt en dat een meetmoment feitelijk weinig zegt over de stand van zaken over drie maanden.

3. De strakke rigide opzet van lesmethodes. In groep 1-2 zie je al dat er meer systematisch en methodisch gewerkt wordt, waardoor voor spelend en ontdekkend leren steeds minder ruimte is. In groep 3 is dat nog een graadje erger. We stellen daarbij vast dat sommige kinderen een achterstand hebben en bijgespijkerd moeten worden en dat andere kinderen een voorsprong hebben en er feitelijk geen goed aanbod is. Aan het begin van het schooljaar zul je van je collega van groep 2 informatie hebben gekregen over de leerlingen. Harde informatie in de vorm van CITO scores en zachtere informatie over sociaal emotionele ontwikkeling, welbevinden en taakbesef. We zien bij de overgang naar groep 3 vaak verschillen optreden in het beeld van de leerkracht van groep 2 en de leerkracht van groep 3. Kinderen die in de groepen 1 en 2 als begaafd of hoogbegaafd omschreven worden, blijken in groep 3 juist helemaal niet zo begaafd te zijn. Navraag levert vaak de volgende antwoorden op:

·        Er is in mijn groep een andere aanpak en organisatie, ze moeten daar erg aan wennen.

·        De methodische aanpak is nieuw.

·        Ik heb beperkte differentiatiemogelijkheden in de eerste maanden.

·        De kinderen zijn nog niet zo zelfstandig, ze zijn nog zo klein.

·        De methode schrijft voor wat ik moet doen en slimme kinderen kunnen in de ‘zon’ lijn.

·        Ik wil de eerste maanden geen hiaten laten oplopen.

Het is allemaal begrijpelijk. Maar wat nu als een kind aantoonbaar kan lezen en toch weer in een aanvankelijke leesmethode wordt gezet. Dat is net als dat je kunt fietsen en dan ineens weer op een driewieler of met zijwieltjes moet fietsen of met zwembandjes zwemmen, terwijl je al een diploma hebt. Lezen leer je maar één keer en als je het kunt hoef je het niet opnieuw te leren. Het werkt zelfs averechts en heeft een nadelige invloed op de leesmotivatie en het zelfvertrouwen van kinderen. De tip is om op zoek te gaan naar alternatieven. Richt je op het gegeven dat er voor kinderen iets te leren moet zijn. Durf de strakke methode los te laten, zoek de ruimte, ga op internet alternatieven zoeken, vraag hulp en zoek naar scholingsmogelijkheden. Ik weet zeker dat je op deze wijze betekenisvoller voor kinderen kunt zijn. 

Aanpak in groep 4 t/m 8 

In groep 4 t/m 8 is de wijze van creëren van een passend aanbod al bekender en is er ervaring opgedaan. Ook hier is met name in groep 4 nog wel een pijnpuntje: Dolaard en Harms constateren in hun onderzoek dat leerkrachten van groep 3 en 4 het moeilijk vinden om te differentiëren, zij hebben de neiging om alle kinderen ‘bij zich te houden’. Ik herken dat. Op veel scholen is het beeld dat er in groep 1 en 2 sprake is van een passend aanbod vol uitdaging, in de groepen 3 en 4 de strakke methodische aanpak leidend is en dat er vanaf groep 5 weer meer ruimte is voor aanpassing. Ik zie soms zelfs scholen, waarbij bijvoorbeeld compacten en verrijken in groep 3 en 4 helemaal niet aan bod komt, maar dat het pas vanaf groep 5 wordt ingezet. Volgens mij heeft dat niks te maken met onwil. Ik denk dat je graag het beste onderwijs aan alle kinderen wilt geven, ook aan slimme kinderen. Wat geldt voor jouw collega in groep 3, geldt ook voor jou. Bespreek met collega’s waar je knelpunt zit, durf te experimenteren en zoek hulp als je er niet uit komt.

Er zijn verschillende manieren om een goed en passend aanbod te realiseren. Een veel voorkomende werkwijze is compacten en verrijken. Je weet dat bij compacten het kind niet sneller door de leerstof gaat, maar dat hij/zij per blok overbodige instructie en werk overslaat. Het is belangrijk om bij compacten en verrijken uit te gaan van twee leerlijnen, een lijn voor meerwerkers en een lijn voor hoogwerkers (zie onderstaand schema). Om compacten en verrijken goed te kunnen uitvoeren is vooral een goede voorbereiding en planning noodzakelijk. Daarnaast is het van belang dat je goede lesmaterialen voor verrijken hebt. SLO heeft in het verleden richtlijnen voor compacten voor verschillende taal- en rekenmethodes uitgewerkt, de zogenaamde routeboekjes. In moderne versies wordt door de methodemakers al ingegaan op compactingsrichtlijnen. Gebruik deze richtlijnen als bron en niet als absolute waarheid. Jij bent en blijft de regisseur en eindverantwoordelijke. Ik adviseer vaak de volgende strategie:

1.       Bespreek met het kind het lesblok dat de komende weken aan bod komt.

2.       Ga samen na wat gemaakt en wat geschrapt kan worden. Hou rekening met zelfoverschattende en zelfonderschattende leerlingen. Kom tot een gezamenlijke afspraak.

3.       Geef aan dat het kind, net als andere kinderen, de eindtoets van het blok maakt en eis dat hij/zij een score haalt van >90%.

4.       Maak samen met het kind ook een inschatting van de hoeveelheid tijd die hij/zij krijgt. Er moet sprake zijn van gecompacte tijd.

5.       Het kind maakt het werk binnen de beschikbare tijd.

6.       De hoge score op de methodetoets is jouw garantie dat hij/zij de stof op een hoog niveau beheerst. 


Jan Kuipers, auteur van ScanHB, Sidi PO en Levelwerk

Gerelateerde Berichten