Winkelwagen

Op zoek naar de beste ouderbetrokkenheid

Op zoek naar de beste ouderbetrokkenheid

Op zoek naar de beste ouderbetrokkenheid

Hans Christiaanse, onderwijsadviseur ouderbetrokkenheid

Het ministerie van OCW heeft schijnwerpers gezet op de relatie tussen school en ouders. Hans Christiaanse houdt zich vanuit de praktijk al lange tijd op enthousiaste en bevlogen wijze bezig met de relatie tussen school en ouders. Hij vertelt waar zijn interesse in dit thema vandaan komt en wat er volgens hem nodig is om een goede relatie tussen school en ouders te realiseren.

Hans Christiaanse begon zijn loopbaan in het speciaal onderwijs, was daarna directeur van een reguliere basisschool in de Schilderswijk in Den Haag en verhuisde na vijftien jaar naar het noorden om leiding te geven aan een dorpsschool in Friesland. Na anderhalf jaar werd hij directeur van meerdere scholen in een Vensterwijk in Groningen. Momenteel is Christiaanse verbonden aan Sardes. 

Wat waren je eerste ervaringen met ouders?

“Op de school in de Haagse Schilderswijk was er een lokaal met naaimachines, waar moeders een keer per week kleding kwamen maken. Daar waren taallessen aan verbonden. Het was een kunstmagneetschool, dus we nodigden de ouders uit als er een uitvoering was van leerlingen. Er waren voor ouders allerlei activiteiten, zoals bingo en festiviteiten met eten en muziek, waaraan inhoudelijke thema’s werden gekoppeld. Dat was mijn eerste kennismaking met ouders in de school. Ook in Friesland waren ouders betrokken bij de school. Het was daar geen enkel probleem om hulp van ouders te krijgen, maar ondersteuning door de ouders thuis is natuurlijk een heel ander verhaal. Daar was ik op dat moment nog niet zo mee bezig. Het belang daarvan wordt met name de laatste jaren ingezien. Toen ik in Groningen werkte begon dat al wat meer vorm te krijgen. We hebben daar ouderkamers opgezet.”

Hoe werken ouderkamers?

“We hebben op verschillende scholen een ruimte ingericht als ouderkamer, waar ouders over bepaalde thema’s konden praten. Ouders gaven bijvoorbeeld aan dat ze wilden praten over kinderangsten, zelfstandigheid, seksualiteit of over nieuwe media. Als team hebben we ons allereerst afgevraagd hoe we dat het beste konden doen, want het is natuurlijk niet de bedoeling dat je er als school allerlei taken bij krijgt. Ook moet je niet de houding hebben: wij vertellen jullie wel hoe dat allemaal moet. Daarom hebben we de GGD gevraagd om die avonden te verzorgen. Om te laten zien dat de school het belangrijk vindt om samen – als partners – over de thema’s te praten, waren er ook altijd leerkrachten aanwezig. In het taakbeleid hield ik daar rekening mee, zodat leerkrachten hier uren voor hadden. Er waren in Groningen sociaal-verpleegkundigen met een inloopspreekuur en ik vond het bijzonder waardevol dat zij in de ouderkamer contacten legden. Je ziet dat het succes van dit soort initiatieven vaak afhangt van personen. Het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) in Beijum had een geweldige medewerkster. Zij stond op het schoolplein, legde contacten, woonde bijeenkomsten bij, kookte met moeders; fantastisch! Daardoor is het initiatief geslaagd.

We hebben toen ook ouderpanels opgezet, zodat ouders nog meer bij de school betrokken raakten. We organiseerden maaltijden op school met ouders en kinderen en daar was het CJG ook bij. Op die manier werden kleine netwerken gevormd van ouders die elkaar anders nooit spraken. Pabo-studenten verzorgden de opvang van de leerlingen in de klaslokalen. Ouders namen hun eigen eten mee, dus je hebt een minimale investering en een maximaal rendement. Dat werd heel erg op prijs gesteld; ouders wilden dat wel twee tot drie keer per jaar. Van de gemeente kreeg ik een klein budget. Ik zie nu steeds meer gemeenten die daar het belang van inzien. Het CJG moet een belangrijke rol krijgen in de opvoedingsondersteuning, zo is het ook bedoeld. De wethouder van Pijnacker-Nootdorp bijvoorbeeld wil dat het CJG als front-offi ce fungeert in de school. Leerkrachten worden daardoor ontlast en het CJG vangt veel meer signalen op. Het moet niet zo zwaar beladen zijn allemaal.”

Wat was jouw rol daarbij?

“Er hangt natuurlijk veel af van de directeur. Als je ouderbetrokkenheid een warm hart toedraagt en je vindt dat het meerwaarde heeft, dan moet je dat als directeur of locatiemanager ook laten zien. Dat doe je door aanwezig te zijn bij ouderbijeenkomsten en door toegankelijk te zijn, bijvoorbeeld door elke dag op het schoolplein te staan. Ik kom nog regelmatig directeuren tegen die zeggen: ‘Ik heb alleen maar last van ouders, ze zijn kritisch.’ Soms heeft dat vooral met angst te maken. Ze hebben een aantal vervelende ervaringen en komen in een neergaande spiraal terecht. Ik had een heel ander beeld. Eerst zie je dat ouders je vreemd aankijken, maar vervolgens durven ze contact te maken. Ik zeg altijd tegen collega’s: ‘Blijf ’s ochtends niet achter je bureau zitten om nog werk na te kijken, maar ga bij de deur staan om tien voor half negen, kijk ouders aan en voer een gesprekje.’ Dan verlaag je de drempel.”

Wat betekent ouderbeleid nu voor jou?

“Het zijn eigenlijk twee sporen. Aan de ene kant is er het belang van ouders voor de opbrengsten van het onderwijs, dus de school als leergemeenschap. Aan de andere kant heb je te maken met aspecten van ‘civil society’, dus met de functie van de school in de wijk en ouders als partners.”

Hoe bereik je dat school en ouders partners worden?

“Je begint met het toerusten van de ouders, bijvoorbeeld door ze een basiscursus ‘medezeggenschap’ te geven. Daarin komen ze meer te weten over hoe een school werkt, over de plancyclus, over het schoolplan, de zorgstructuur en de rol van de inspectie. De cursus bestaat uit twee avonden voor beginnende MR-leden, zowel ouders als personeel. Ik geef de cursus nog steeds en ik kom regelmatig wantoestanden tegen, bijvoorbeeld een directeur die de MR-vergaderingen voorzit of MR-leden die het schoolplan nog nooit hebben gezien. Daar is nog veel winst te behalen. In oudertevredenheidsonderzoeken miste ik het onderwerp ‘partnerschap en de rol van de school als onderdeel van sociale netwerken’. Om daarin te voorzien, heb ik met de onderzoeksgroep van Cedin een scan ‘ouderbetrokkenheid’ ontwikkeld. We voeren die op scholen uit om inzicht te geven in hoe ze ervoor staan en welke verbeterpunten ze kunnen oppakken.”

Partnerschap

Het Dagblad van het Noorden zette in februari j.l. een vragenlijst uit onder duizend ouders. Daaruit kwam naar voren dat ouders behoefte hebben aan hulp en advies van school over de wijze waarop zij hun kind kunnen helpen. Ze willen bijvoorbeeld van de leerkracht horen welke liedjes er gezongen worden en welke spelletjes er worden gedaan. En ze willen op een website zien wanneer hun kind een toets heeft. Er was bijvoorbeeld een ouder die schreef dat de leerkrachten bij de intake teveel vaktaal gebruiken. Ook gaf 50% van de ouders aan dat de school vaker een beroep op hen mag doen. Ik raad scholen aan om bij een intake te vragen wat de hobby’s van ouders zijn en of de school daarvan gebruik mag maken. Ik noem dat altijd ‘het verborgen kapitaal’ van de school. Dat geldt ook voor het voortgezet onderwijs, bijvoorbeeld bij voorlichting over vervolgopleidingen en beroepen. Je kunt de talenten van zowel hoogopgeleide als laagopgeleide ouders inzetten, bijvoorbeeld bij een schooltuin en een winkeltje waar de producten worden verkocht. Scholen zouden veel meer aan ouders moeten vragen wat voor hen redenen zijn om naar school te komen. Nu wordt er teveel door de school bedacht. Ik ken een school die een nieuwe ouder bij de inschrijving koppelt aan een andere, ervaren ouder, die een rondleiding geeft door de school en vertelt hoe zaken gaan. Een soort maatje dus. Aan de nieuwe ouder wordt ook gevraagd of hij of zij op school wil meehelpen, bijvoorbeeld bij het koffieschenken. Zo krijgt de nieuwe ouder al heel snel een plekje in de gemeenschap. Het gaat om dit soort praktische dingen. Bovendien blijkt dat een leerkracht meer tijd in de ouder investeert als die vaker zijn of haar gezicht laat zien.”

Wat hebben ouders nodig van de school?

“Een van de vragen in de ouderscan is: heeft u als ouder materiaal nodig om thuis met uw kind aan de slag te gaan? Maar liefst 73% van de – vooral hoogopgeleide – ouders van een school in Groningen had behoefte aan materiaal. Daarom hebben we ouderhulpkaarten ontwikkeld door alle kinderen van de basisschool. Op die kaarten staan tips voor het helpen met huiswerk, het plannen van het schoolwerk en ze geven ook informatie over het puberbrein en sociale media. Naast het feit dat je op deze manier ouders direct bij het onderwijs van hun kind betrekt, kunnen deze kaarten ook een impuls zijn om ouderbetrokkenheid binnen je eigen school verder vorm te geven.Er zijn inmiddels 6 mappen ontwikkeld waarvan Hans Christiaanse de regie in handen heeft gehad:

- Ouderhulpkaarten Taal/lezen
- Ouderhulpkaarten Rekenen
- Ouderhulpkaarten Sociaal-emotioneel
- Ouderhulpkaarten Het Jonge Kind
- Ouderhulpkaarten Voortgezet onderwijs
- Ouder-schoolkaarten MBO

Gerelateerde Berichten